Antwerpen heeft een lange geschiedenis, van een kleine nederzetting werd het ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog de grootste stad in de Nederlanden.

Middeleeuwen
Aan het einde van de 10e eeuw werd Antwerpen een graafschap van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie. De grens van dit graafschap werd bepaald door de Schelde. Aan de onderkant lag het graafschap Vlaanderen. Antwerpen had oorspronkelijk een houten omheiningmuur. Het hout werd rond deze tijd vervangen door steen. Restanten van deze stenen muur zijn nu nog steeds te zien. In de zuidelijke woonkern stichtte de Heilige Norbertus de Sint-Michielsabdij. In de noordelijke woonkern werd een nieuwe parochie gesticht met als centrum een Onze-Lieve-Vrouwekerk, de eerste voorloper van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. De stad maakte in de 12e eeuw deel uit van het hertogdom Brabant. Antwerpen bloeide in de 14e eeuw in economisch opzicht enorm op. Deze economische groei had de stad vooral te danken aan de zeehaven en wolmarkt. Antwerpen werd de belangrijkste handelsstad en financieel centrum van West-Europa. In 1356 werd het graafschap Antwerpen aangesloten bij het graafschap Vlaanderen. Vijftig jaar later begon de aanloop naar de Gouden Eeuw.

Gouden eeuw
Antwerpen verwierf in de 16e eeuw de allure van een wereldstad. Bewoners van Antwerpen komen in de bekendheid, zoals de schilders Quinten Metsys en Breughel en de drukker Plantijn. De stad brengt humanisten en wetenschappers voort als Lipsius, Mercator, Dodoens en Ortelius. In de tweede helft van de 16e eeuw ontstaat er veel chaos in de stad, veroorzaakt door politiekgodsdienstige strijd tussen de protestanten en de katholieken. Dieptepunten in deze strijd zijn de Beeldenstorm in 1566, de Spaanse Furie in 1576 en de Val van Antwerpen in 1585. Na de val kwam Antwerpen onder het gezag van Filip II. De Noordelijke Nederlanden sloten de Schelde af, wat een economische ramp werd voor de stad. Inwoners verlieten de stad. Van de 100.000 inwoners in 1570 bleven er in 1590 niet meer dan 40.000 over.

Beroemde schilders
Dankzij meester-schilders als Rubens, Van Dyck, Jordaens en Teniers en beeldhouwers als Queillin en Verbrugghen en andere kunstenaars, duurde de culturele bloei van Antwerpen voort tot de helft van de 17e eeuw. Vanaf 1650 tot in de 19e eeuw bleef er weinig van Antwerpen over. De Schelde bleef dicht en wat voorheen een wereldstad werd genoemd, bleef een provinciestad over. Van 1715 tot 1795 viel de stad onder het Oostenrijkse bewind van Jozef II. De Fransen namen het in 1795 over. Napoleon zwaaide de scepter tot 1815. In deze tijd werd de haven van Antwerpen gemoderniseerd. De kunststad raakte echter in cultureel opzicht verloederd. Er waren zelfs plannen om de kathedraal te slopen. Na de val van Napoleon in Waterloo (1815) werd Antwerpen even herenigd met de Noordelijke Nederlanden, waardoor er een korte opbloei ontstond. De Belgische revolutie in 1830 betekende echter alweer spoedig een sluiting van de Schelde.

Het Antwerpen van nu
Antwerpen begon vanaf 1863 economisch weer op te bloeien. Zij had weer een zware tijd voor de boeg tijdens de twee wereldoorlogen. Toch wist Antwerpen in de 20ste eeuw gestaag economisch verder te groeien. Ook op cultureel gebied ontplooide zij zich weer zodanig dat zij in 1993 de aanstelling verwierf als “Culturele Hoofdstad van Europa”.

Er zijn verschillende verklaringen over de uitdrukking "Antwerpen koekestad".Deze uitdrukking werd oorspronkelijk gebruikt door mensen van buiten Antwerpen maar tegenwoordig gebruiken de Antwerpenaren zelf ook deze benaming als zij over hun eigen stad spreken.
Eén van de meest gangbare verklaringen is dat er vroeger (begin 20e eeuw) een koekjesfabriek was nabij het centraal station. Naast kwaliteitskoekjes kon men daar ook "rabat" of afgekeurde koekjes kopen. Deze werden meestal gekocht door mensen van buiten Antwerpen. Dus zij brachten steeds koekjes mee van de stad.
Een tweede verklaring is dat de bakkers in een dorp tijdens de week geen koffiekoeken bakten. Dit gebeurde alleen op zondag. In Antwerpen werden er elke dag koffiekoeken gebakken. Dus de bezoekers namen koffiekoeken mee naar huis.

In het Idioticon van het Antwerpse dialect dat op het eind van de 19de eeuw verscheen leest men onder 'Koekestad' : stad in kindertaal (Kempen) / naar de Koekestad gaan. "Moe heé noar de Koekestad gewest en ze heé koeken meegebrocht". Antwerpen was inderdaad toen al bekend voor zijn "koffiekoeken". Deze reputatie als 'Koekestad' werd nog verhoogd door de toenmalige talrijke biscuitfabrikanten, zoals: Parein, De Beukelaer, Petit Beurre, Marie Brussel-Kermis, Melange,Choco-As,enz.